WES 3 | Vaktijdschrift: 'Dialectloket: Taalvariatie op het net én in de klas'

Beste vriend van het Nederlands,
‘Ik gon derekt mee de deur in houwes valle, ik klap geire plat Mols. En ik zen dao nog friejet op ok.’*
Zo klink ik wanneer ik onder vrienden ben. Dit is de taal van ‘thuis’: de taal die mijn grootouders zo sappig spraken en die ik - jammer genoeg - steeds minder hoor. Ze is doorspekt met woorden en uitdrukkingen die ik koester en blijf gebruiken. Het is een taal die je niet in grammaticaboeken terugvindt, die geen officiële status heeft en waar vaak op wordt neergekeken - volstrekt onterecht, wat mij betreft. Want geef toe: klinken ‘piepelingebuerge’ en ‘tuttefrut’ niet veel mooier dan het neutrale ‘verstoppertje’ of ‘kauwgum’?
Als fan van dialecten las ik daarom met grote interesse het artikel in Fons over het Dialectloket. Deze website, ontwikkeld door dialectologen van de Universiteit Gent, brengt de volledige rijkdom aan variatie binnen het Nederlands samen op één plek. Ik verloor me – met veel plezier – in geluidsfragmenten en taalkaarten en kreeg spontaan goesting om dit te gebruiken in mijn eigen klaspraktijk.
Van leerlingen uit het secundair wordt immers verwacht dat ze op het einde van hun schoolcarrière verschillende taalvariëteiten kunnen herkennen en bewust kunnen reflecteren over hun eigen taalgebruik en dat van anderen. Om dit leerdoel te bereiken is het Dialectloket een ideale tool. Je vindt er een schat aan informatie over dialecten, maar ook over jongerentaal, standaardtaal en tussentaal. Bovendien is er een bijzonder interessant luik met kant-en-klaar lesmateriaal, waarmee je bijvoorbeeld kan werken rond thema’s als ‘tussentaal in reclamespots’. Je vindt er ook tal van geluids- en videofragmenten waarmee je je klas op een creatieve manier aan het werk zet in de lessen Nederlands.
Zo kan je leerlingen als echte dialectdetectives laten luisteren naar geluidsfragmenten en hen laten analyseren waarin een dialect verschilt van de standaardtaal. Of je kan een eigen mini-dialectkaart laten maken door hen een woord te laten kiezen en te laten opzoeken hoe dat in verschillende regio’s gezegd wordt. Ook een rollenspel, waarin de ene leerling standaardtaal gebruikt en de andere dialect, werkt vaak verhelderend. Of laat leerlingen een kort verhaal schrijven waarin ze hun eigen dialect of thuistaal verwerken en dit uitwerken als mini-podcast. Zei ik al dat het kriebelt om met al die informatie aan de slag te gaan?
Horen al die taalvariëteiten wel thuis in het klaslokaal? Voor mij is het antwoord duidelijk: ja. Dat betekent niet dat leerlingen plots dialect of jongerentaal moeten spreken tijdens de les. Hier ligt een belangrijke taak voor de leerkracht: leerlingen leren schakelen tussen registers en hen laten inzien dat taal contextgebonden is. Het is prima om jongerentaal te spreken met je vrienden, maar in een gesprek met de directie tap je beter uit een ander vaatje. Door leerlingen bewust te maken van die verschillen en hen te leren welk taalsysteem in een bepaalde context gepast is, leren ze niet alleen correcter, maar ook bewuster communiceren.
Om die reden werd dit doel ook opgenomen in de leerplannen voor Nederlands van de derde graad. Door te proeven van het brede palet aan taalvariatie binnen het Nederlands, leren jongeren welke elementen thuishoren in hun dialect of tussentaal en welke tot de standaardtaal behoren.
Die benadering sluit trouwens mooi aan bij hoe we vandaag al met taalgeschiedenis omgaan. In het middelbaar krijgen leerlingen een inkijk in het Oud- en Middelnederlands. Waarom zouden dialecten dan geen plaats verdienen in dat verhaal?
‘Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar moet vooruit worden geleefd’, zei Kierkegaard. Voor taal geldt hetzelfde. Wie wil begrijpen waar het Nederlands, zoals we het vandaag spreken, vandaan komt, moet terugkijken. En wie terugkijkt, kan niet om dialecten heen. Meer nog: ze vormen de basis.
Kennis van het dialect kan er op die manier voor zorgen dat de lessen over Middelnederlands iets minder abstract worden. Wat anders een ver-van-mijn-bedshow blijft, wordt plots herkenbaar. Woorden, klanken en zinsconstructies die eeuwenoud zijn, blijken nog altijd voort te leven in de dialecten van vandaag. Oude talen worden daardoor tastbaar – en daardoor ook begrijpelijker.
Maar wat dan met anderstalige leerlingen? Hebben ze niet al moeilijkheden genoeg met het ‘gewone’ Nederlands? Die bezorgdheid is begrijpelijk, maar hoeft geen obstakel te zijn. Integendeel, taalvariatie kan net een brug vormen. Door te ervaren dat er ook binnen het Nederlands gelijkenissen en verschillen zijn, ontstaat er ruimte voor herkenning. In een latere fase kan die oefening uitgebreid worden naar een vergelijking tussen het Nederlands en hun eigen moedertaal of kan onderzocht worden welke invloed hun moedertaal op het Nederlands heeft of heeft gehad. Op die manier is meertaligheid geen probleem, maar net een didactische meerwaarde. Er ontstaat een gedeelde ervaring waarin diversiteit verrijkend werkt.
Natuurlijk is het belangrijk dat jongeren ook het Standaardnederlands meekrijgen en zich kunnen uitdrukken in een taal die niet regionaal gekleurd is. Maar eerlijk: dat zuivere Standaardnederlands - door wie wordt dat echt gesproken, behalve door nieuwslezers? Is het niet eerder een referentiekader geworden, een ideaal dat je nastreeft, maar nooit volledig bereikt? Om het met de metafoor van de taalmengtafel van De Schryver te zeggen: bij wie staat de schuifknop voor regionaal taalgebruik op 0 en die van standaardtaal op 1? En wat is tussentaal anders dan een voortdurend verschuivend mengsel van standaardtaal en dialect?
Taalvariëteiten geven kleur aan een taal, maken ze boeiender, rijker en levendiger. Geen aandacht besteden aan deze variatie doet de rijkdom van onze taal onrecht aan. Leerlingen het hele orkest aan woorden leren kennen en hen leren op welk moment ze welk instrument bespelen, zie ik als een erg boeiende opdracht als leerkracht.
Zelf ben en blijf ik een fiere ambassadeur van ‘mijn’ Molse dialect. Terwijl het Standaardnederlands de blazer is waarmee je in veel situaties wegkomt, blijft dialect die lievelingstrui die al wat versleten is en die je eigenlijk alleen thuis aantrekt. Maar ik heb ze wel allebei in mijn kleerkast hangen. Weten wanneer welk kledingstuk gepast is, is een kunst. Maar die lievelingstrui, die gooi ik niet weg. ‘Waant, godsgenaai, die zit faatelek nog altij het beist.’
Mee ne vrindelekke gruut,
Griet
Bronnen:
De Schryver, J. (2008). De taalmengtafel: Een model voor taalbeschouwing. Vonk, 38(2), blz. 43-56.
Link naar het artikel uit Fons: 'Dialectloket: Taalvariatie op het net én in de klas'
Vertaling voor wie het Molse dialect niet machtig is:
*Ik ga direct met de deur in huis vallen, ik praat graag Mols. En ik ben daar nog fier op ook.
*Want, goh, die zit eigenlijk nog altijd het meest comfortabel.



Opmerkingen